Cornelisgorsira Omonene2

Herinneringen - M. Winkel

Mike Winkel vertelt over Ome Nene - Cornelis Gorsira; ontdekker van het fosfaat  van de Tafelberg op de plantage Santa Barbara op Curacao

Cornelis Gorsira was de oudste zoon van Michael Brown Gorsira (1823-1889) en Maria Catharina "Mimi" Maal (1827-1908).
Vader Michael Brown Gorsira woonde samen met zijn broer Pieter (1821-1895) op de plantage Ararat. Dit bestond uit twee huizen - Michael had het gebouw links (waar na de 2e wereldoorlog het kadaster kwam) - Pieter woonde in het gebouw rechts. Cornelis' zuster Anna Elizabeth "Pepe Besi" (1856 - 1939) verzorgde later haar moeder en daarna haar broers in het ouderlijk huis op Ararat.

Vader Michael was ook eigenaar van Jan Sofat en kocht begin 1875, samen met zijn schoonfamilie, de nabij gelegen plantages Santa Barbara en (een deel van) Fuik van de familie Naar.
Pieter en Michael bezaten verder Malpais en Klein Sint Michiel. Nadat de samenwerking tussen Michael en Pieter werd beëindigd behield de familie van Pieter, die in 1884 deze plantage had gekocht voor f 30.000, Klein Sint Michiel.
Een andere plantage van de familie Gorsira was Zuurzak. Dit werd door Cornelis’ broer Pieter Arnoldus “Pipi” (1859 - 1924) gedeeltelijk in de stijl van Ararat verbouwd en kreeg onder andere een patio espanol in een tuin met bogen en bruggetjes. De plantage stond bekend om zijn mango’s.

Omo Nene was in zijn jonge jaren eerder kunstenaar dan plantagehouder/zakenman. Hij schilderde en schreef en had een vrij uitgebreide bibliotheek. Hij woonde en studeerde in zijn jonge jaren in Engeland en België en kwam soms op vakantie naar Curaçao. Hij maakte omstreeks 1876-77 een reis door het Midden Oosten waarbij hij onder andere naar Egypte, Palestina, Syrië, Libanon en Turkije ging.
Hij bracht planten mee toen hij terug kwam van deze reis en stuurde een aanzienlijke verzameling curiosa (w.o. allerlei wapens, meubels, kleden en lampen) naar Curaçao. Deze verzameling werd in eerste instantie in zijn vaders huis op Ararat opgehangen en uitgestald. Dit huis werd later opengesteld als museum en men kon ook, tegen betaling, boeken lenen uit Cornelis’ bibliotheek.
De verzameling kwam in de jaren veertig op Klein Sint Michiel terecht, waar het grootste deel tot de verkoop van het landhuis (in de jaren '90 van de vorige eeuw) is gebleven.

Aan Cornelis wordt het ontdekken van het fosfaat - guano - van de Tafelberg op de plantage Santa Barbara toegeschreven. Hij betrok de Engelse mijningenieur John Godden bij de aktiviteiten, nadat die in 1871 fosfaat op Klein Curaçao had ontdekt en dat ging afgraven en exporteren. Dit deed hij tot 1885, toen de concessie in andere handen kwam. In 1913 werd de laatste guano op Klein Curaçao gemijnd.

Michael verkocht kort na de aankoop in 1875 de helft van de plantage Santa Barbara aan John Godden en verpachtte enige maanden later ook de andere helft voor 99 jaar aan Godden. Die richtte de Curacao Phosphate Company op en betaalde voor zijn helft van de plantage en voor de mijnrechten in aandelen. Voor de andere helft van de plantage betaalde hij een pachtsom van f. 2500,- per jaar.
Het mijnen begon binnen een jaar na het aangaan van de overeenkomsten. De grootste aandeelhouders van de maatschappij waren leden van de families Gorsira en Maal.

Toen de wereldmarktprijs van fosfaat een jaar of tien later fors daalde en Godden de overeenkomst wilde herzien voelden deze aandeelhouders daar niets voor. De relatie met Godden was, volgens de overlevering, inmiddels ook vertroebeld door het niet zo diplomatieke afwijzen door de familie van de avances die de Engelsman maakte in de richting van een van de zusters Gorsira.
Na de daling van de prijs verminderde Godden de productie drastisch in 1887 maar had voldoende voorraad om de export tot 1895 voort te zetten. Daarna werd het bedrijf gesloten.
Terwijl de sluiting naderbij kwam mislukten twee pogingen van de aandeelhouders om een nieuwe maatschappij op te zetten. Eerst werd in 1889 met de firma Emil Hauenschild uit Hamburg een overeenkomst gesloten om de NV Santa Barbara op te richten.
Enkele jaren later probeerden zij het opnieuw en richten De Curacaosche Phosphaat Maatschappij Santa Barbara op. Ook deze maatschappij is niet tot daadwerkelijk mijnen van fosfaat gekomen.
In 1906 kwam William Godden, de oudste zoon van John, weer naar Curaçao en liet nieuwe onderzoeken doen naar de mogelijkheden van de mijn, die zeer gunstig uitvielen.

Cornelis behartigde sinds het overlijden van zijn vader in 1889 de belangen van de familie maar het zou bijna vijfentwintig jaar duren voor de productie weer kon worden opgestart, ondanks de druk die een deel van de overige aandeelhouders op hem uitoefende om de overeenkomst te herzien.
Uiteindelijk besliste de rechter in 1912 dat Santa Barbara openbaar geveild zou worden om oplossing te brengen in het konflikt tussen de families Gorsira, Maal en Godden.
De plantage werd toen gekocht door William Godden, die de Mijnmaatschappij Curacao oprichtte en voor de grond de oude aandeelhouders met aandelen van de nieuwe maatschappij betaalde. In de jaren daarna groeide het bedrijf enorm uit en werd onder andere een eigen haven in de Fuikbaai aangelegd. Voor de aanvoer van fosfaat werd een spoorlijn gebouwd. De Mijnmaatschappij was in zijn hoogtij dagen, na de Shell, een van de belangrijke werkgevers op Curaçao.

De maatschappij heeft tot 1970 het beste deel van het fosfaat van de berg uitgemijnd. Daarna was het economisch niet meer rendabel om de zaak voort te zetten en ging de regering, ter voorkoming van arbeidsonrust, het bedrijf subsidiëren.
Dit duurde tot medio 1979 toen de fosfaat productie geheel werd stopgezet. Hierbij werd het grootste deel van de nog overgebleven werknemers ontslagen en de resterende 140 begonnen, per 1 september van dat jaar, met een nieuw bedrijf voor de productie van kalksteen (steenslag) voor wegen- en huizenbouw.

Al voor de tweede wereldoorlog werd Barbara beach, de smalle verbinding van het Spaanse Water met de zee, ook gebruikt voor recreatie. Aanvankelijk vooral door boten vanuit het Spaanse Water, later ook door directie, hoge ambtenaren, employees en andere lokale notabelen. Ruim tien jaar later begon de Mijnmaatschappij, jaarkaarten uit te geven aan een geselecteerd publiek. Vanaf eind jaren vijftig kon iedereen, na betaling bij de poort, naar de beach.
In 1989 kocht de CITCO-bank Santa Barbara. Er kwam een verdeling van grond en activiteiten. De CITCO ging de beach op grotere schaal exploiteren, de Mijnmaatschappij ging door met haar activiteiten.
De Mijn Maatschappij Curaçao is anno 2009 onderdeel van Janssen de Jong Caribbean en levert nog steeds kalksteen.
 

Zie ook de website van Mike Winkel over de familie Winkel.